| Meditatie |
|
De liefde Geloof, hoop en liefde. Dat zijn de drie gezellinnen op het levenspad van een christen. Alle drie zijn onmisbaar, want al is de liefde de meeste, zonder geloof en hoop is de liefde ook niet volmaakt. Deze drie, ze blijven, zegt Paulus. Ze blijven ook na de dood. Het geloof is immers een kennend vertrouwen en een vertrouwend kennen. Welnu, dan zal het ook voor Gods kerk in de eeuwigheid een volmaakte kennis worden en ook een volmaakt vertrouwen, want daar zal God nooit meer worden gewantrouwd. Zeker, het geloof zal overgaan in aanschouwen, maar het kennen en ver-trouwen zal toch eeuwig blijven. Zo staat het ook met de hoop. Het is waar, dat de Schrift zegt: "De hoop die gezien wordt, is geen hoop". Het is waar, dat Gods kind hier nog slechts in hope zalig wordt en dat die hoop ook eens vervuld zal worden. Maar er zal in de hemel toch ook geen stilstand zijn. En in deze zin zal de hoop blijven, dat er een eeuwige voortgang zal zijn van de ene heerlijkheid tot de andere. Leven is hopen. En dat geldt toch zeker niet minder van het eeuwige leven. De liefde is het hart van beide. Want God is Liefde. En wie niets van de liefde heeft, die heeft niets van God. Liefde-loos is goddeloos. Daarom is geloof zonder liefde een vals geloof. Zoals het ook staat in de eerste verzen van dit hoofdstuk. Al hadden we het geloof om bergen te verzetten, al hadden we het geloofsinzicht, dat we al de verbor-genheden wisten, en al spraken we de taal van het geloof als de taal der engelen, dan nog waren we zonder de liefde niets meer dan een klinkend metaal. Een metalen instrument, dat wel zuivere klanken kan geven, maar dat zelf dood en koud en hard is. Zuivere klanken, waarvan een ander zelfs nog wel wat leren kan, doch waarin dat éne ding, de liefde, wordt gemist. Zo is ook de hoop zonder de liefde een valse hoop. Al zou er ook gewezen worden op Christus, het anker der hoop, als het een hoop zonder liefde is, dan is dat toch niet meer dan een zelfzuchtig begeren, een hoop uit baatzucht. En al zou iemand dan zijn lichaam geven om verbrand te worden, al wat uit eigen-liefde ge-schiedt, dat zal toch niet baten. De liefde, de meeste. Maar dan kunnen we veel hebben en toch niets zijn. Dan kunnen we zuivere klanken doen horen en spreken van de hoop des eeuwigen Misschien is er iemand die wel eens zegt: We missen het allervoornaamste. En toch, wat is het voor missenden gelukkig, dat die liefde een gave is. Daarom is het ook, dat de Heere niets van zulke mensen verwacht. Ja meer, dat Hij ze wil geven wat ze zichzelf niet kunnen geven. De Heere Zelf gaat trekken met banden der liefde en dan zullen ze Hem liefhebben in Zijn recht en in Zijn genade. Dan wordt het ook persoonlijke beleving, dat de liefde de meeste is. Zoals met de vrouwen, die naar het graf gingen op de Paasmorgen. Zij konden niet meer geloven, want als ze dat wel hadden gekund, dan hadden zij de specerijen niet bij zich gehad om een dode Jezus te balsemen. Ze konden ook niet meer hopen, want wat viel er nog te verwachten van een dode Jezus? Maar toch hadden ze de liefde nog. De liefde was toch de meeste. En zo kan er veel zijn wat niets is, maar ook weinig zijn wat alles is; want de Heere ziet het hart aan. De liefde ging bij de vrouwen voorop en toen kwam het ook met het geloof en de hoop wel in orde, want liefdetranen worden door de Heere Zelf gedroogd. Zo moeten we in ons leven terecht komen op de leerschool der liefde. Dat is bij de Bron van liefde. Dat is bij God Zelf. Alleen uit Gods liefde kunnenwe leren wat liefde is. Hoe dichter bij God, hoe dichter bij de liefde. De trekkende liefde des Vaders, de stervende liefde des Zoons, de toepassende liefde des Heiligen Geestes. Dat is een liefde, die het stenen hart doet breken en die een onsterfelijke wederliefde meebrengt, en waardoor u uzelf leert verlooche-nen. Die liefde is het leven en dat zal ook de zalige gemeenschap zijn in het eeuwige leven. Lezers, hoe staat het met u? Is dat ook uw liefde? Onderzoek het eens uit welke beweegredenen uw godsdienst voortkomt? Kunt u ook on-danks alles met Petrus zeggen: "Heere, Gij weet alle dingen; Gij weet dat ik U liefheb"? wijlen ds. F. Bakker
|

